Geschiedenis van de Andalusiër
Het woord Andaluz is eeuwenlang gebruikt als benaming voor het Iberisch schiereiland (Andorra, Spanje, Portugal en Gibraltar). De Portugese Lusitano en de Spaanse Andalusiër hebben, in een ver verleden, dan ook eenzelfde afstamming.
In sommige oude boeken staat gemeld dat de Andalusiër voortkomt uit het Arabische paard. Het tegendeel is echter waar. De Andalusiër zou wel eens het enige ras kunnen zijn waar weinig of geen Arabisch bloed in voorkomt. Het Andalusische paard stamt af van de originele primitieve Spaanse paarden. De kruisingen met Garrano's, Sorraia's, Berbers én Arabieren leidden wel tot de hedendaagse Andalusiër. Helemaal aan het begin van het ontstaan van dit ras, werd het oorspronkelijke Spaanse paard gekruist met paarden die met de Vandalen (4e eeuw) mee kwamen uit het Noorden. De oorspronkelijke naam van het ras, is dan ook Vandalusiër.
Andalusiërs zijn te verdelen in twee typen, het ene is het oorspronkelijke barokke type. Dit paard is zwaarder gebouwd en heeft een grovere beenstructuur dan andere rijpaarden. Het tweede type is een lichter rijpaardtype.
De Andalusische bloedlijn stond eeuwenlang bekend als de belichaming van het perfecte paard. In 1912 is tussen beide landen overeengekomen om voor het ras één naam te gebruiken, de Pura Raza Española. In 1967 zijn de stamboeken gescheiden en kennen we in beide landen verschillende belangrijke bloedlijnen: De Pura Raza Española (PRE), de Puro Sangue Lusitano (PSL) en de oudste definitie, de Pure Spanish Portuguese Andalusian (PSP).

Er bestaat geen andere bloedlijn dat zo een grote invloed heeft gehad op de moderne paardenrassen van de wereld. Ruim 80% van de huidige paardenrassen zijn voortgekomen uit Andalusiërs. Voorlopers van de Duitse warmbloed rassen en de vele Amerikaanse bloedlijnen. Zelfs de “Royal Mares of Britain” waaruit de Engelse Volbloed is gefokt met Oosterse hengsten, waren van Spaanse bloedlijnen afkomstig. De invloed van de Andalusiër is nog duidelijk te zien bij de Lippizaner, Friesen, Kladruber, Napolitano, Karst, Connemara, Cleveland Bay, Welsh Cob en de Irish Draught.

De Andalusiër is (in tegenstelling tot wat andere stamboeken zeggen te claimen) het oudste paardenras ter wereld. Afbeeldingen zijn al aangetroffen in grotschilderingen van 20.000 tot 30.000 jaar vc en grotschilderingen van Andalusiërs die bereden worden door mensen zijn ruim 7.000 jaar oud.
De Andalusiër stond bekend als het “perfecte oorlogspaard”. Dat heeft het te danken aan de Romeinen (2e eeuw vc). In hun drang naar één groot Romeins Rijk, werd de Andalusiër geëxporteerd naar alle uithoeken van hun rijk en in alle veldslagen bereden door de officieren. De Andalusiër werd door de Romeinen zelfs gebruikt in het Midden-Oosten. Het is daardoor zeker niet ondenkbaar dat bijna ieder paard, dus ook de Arabier zelf, oud Andalusisch bloed in de aderen heeft. Maar er zijn meer voorbeelden van het gebruik als perfect oorlogspaard. Niet alleen Caligula en Julias Ceasar (1e eeuw vc), maar ook Hannibal (2e eeuw vc), Karel de Grote (7e eeuw), Koning Richard I (11e eeuw), de Spaanse Conquistadors (16e eeuw) en Napoleon Bonaparte (18e eeuw) werden afgebeeld op Andalusiërs.
De Moren (7e eeuw) namen veel Spaanse Andalusiërs mee nadat ze verdreven werden door de Spanjaarden. Ze werden daarna als geschenk gegeven aan de Emirs in het Midden-Oosten waardoor de Andalusiër wederom wijdverspreid werd.
Omdat de Andalusiër zo wijdverspreid gebruikt werd, heeft het veel andere namen gekregen met grote verwarring alom: Iberisch Zadelpaard, Iberisch Oorlogs Paard, Jennet, Lusitano, Alter Real, Cartujanos, Spaans Paard, Portugees, Peninsular, Castilian, Extremeño, Villanos, Zapata of Zamoranos.
Door een grote epidemie (paardenpest), de invasie van de Fransen (rond 15e eeuw) en de daaropvolgende ernstige hongersnood, stierf de Andalusiër zelfs bijna uit. Gelukkig hebben Kartuizer Monniken, die in de bergen van Spanje woonden, een aantal van de beste paarden kunnen verbergen en fokte zij verder met een hoogwaardige kwaliteit Andalusiër, welke tegenwoordig bekend staat als dé bloedlijn voor zuiverheid en schoonheid van de Pura Raza Española: de Cartujanos. Wereldwijd zijn er nog maar 1.200 paarden van deze bloedlijn over. Het centrum van de fokkerij van Andalusiërs is tot op heden nog steeds in het “oude Spanje” te vinden, in het snikhete Jerez de la Frontera, Córdoba en Sevilla.
Tot de opmars van de Volbloed in de 18e eeuw, welke beter geschikt waren voor de vossenjacht en de paarsenraces, was de Andalusiër Europa's beroemdste paard en een ras dat overal ter wereld bewondering oogstte. In de 19e eeuw wilde de adel (hogere kringen) toch weer het hogeschool dressuur zien, met mooie verzamelde bewegingen. De Andalusiër werd wederom een gewild paard. Om de toen zeldzaam geworden Andalusiër te beschermen, stelde de Spaanse regering een embargo in zodat deze niet meer geëxporteerd kon worden. Sinds 1992 is het embargo voor Zuid-Spanje opgeheven zodat de Pura Raza Española wereldwijd verspreid kon worden.
In de 19e eeuw waren er veel adellijke families die met de Pura Raza Española fokte. Een “standaard” paard bestond niet. De families fokte naar eigen inzicht het meest ideale paard. Hun familienaam werd de benaming van een nieuwe bloedlijn waaronder deze paarden bekend werden. Enkele beroemde namen die uit deze tijd zijn de Valenzuelas, Guzmanes, Zamoranos en de eerder omschreven Cartujanos.
| Volgende > |
|---|





